Bezoekadres alleen na afspraak.

Juridische Aspecten

Het recht op een domeinnaam is geen absoluut werkend intellectueel recht

Het recht op een domeinnaam lijkt op het eerste gezicht op een intellectueel recht, zoals een auteursrecht, handelsnaamrecht en merkrecht. Juridisch is het echter van geheel andere aard.

Kenmerkend voor een intellectueel recht is dat het absolute werking heeft. De rechthebbende heeft op grond van het hem toekomende intellectuele recht de exclusieve bevoegdheid om gebruik te maken van een bepaalde geestelijke prestatie, bijvoorbeeld van een verhaal, bedrijfsnaam of logo. Dit houdt automatisch in dat de rechthebbende zich in rechte kan verzetten tegen eenieder die zonder zijn toestemming van dezelfde of een sterk daarop lijkende geestelijke prestatie gebruikmaakt of anderszins daarop inbreuk pleegt. De bedenker van een verhaal verkrijgt daarop een auteursrecht zodra hij dat verhaal openbaar maakt. De Auteurswet bepaalt dat degene die als eerste het verhaal publiceert daarop een auteursrecht heeft verworden, dat hij tegenover iedereen kan handhaven. De ondernemer die onder een bepaalde naam zijn bedrijf voert en met behulp van die naam aan het economisch verkeer deelneemt, verkrijgt krachtens de Handelsnaamwet vanzelf een handelsnaamrecht. Hij kan zich als absolute rechthebbende op de handelsnaam verzetten tegen eenieder die zich in strijd met de Handelsnaamwet van deze naam bedient door op soortgelijke daarmee aan het economisch verkeer deel te nemen. Voor het ontstaan van een handelsnaamrecht is overigens, evenals voor het ontstaan van een auteursrecht, géén inschrijving in een bepaald register vereist. Het gebruik van de naam als aanduiding van een bedrijf is beslissend voor de vraag of er een handelsnaamrecht is verkregen. Niettemin worden de meeste handelsnamen wel, tezamen met andere gegevens van de betreffende onderneming, in het handelsregister ingeschreven. Die inschrijving vormt echter slechts een aanvullend bewijsmiddel, en geen ontstaansvoorwaarde. Alleen de Handelsnaamwet bepaalt hoe een handelsnaamrecht ontstaat en welke bevoegdheden de rechthebbende daarop heeft. Iets dergelijks geldt voor een merkrecht. Het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom geeft aan hoe iemand een bepaald woord of teken als merk kan deponeren. Uit dit verdrag volgt dat er pas van een wettelijk erkend merkrecht sprake kan zijn nadat het woord of teken overeenkomstig de daarvoor gestelde formaliteiten in het Benelux merkenregister is ingeschreven. De inschrijvingsformaliteiten zijn zeer eenvoudig. Mits het woord of teken voldoende onderscheidend vermogen heeft en geen algemene aanduiding bevat, kan iedereen het via internet (on line) laten registreren. Enkele dagen later ontvangt men schriftelijk bericht van het Bureau Intellectuele Eigendom dat het woord of teken voorlopig als merk is ingeschreven. Wanneer vervolgens gedurende drie maanden niemand hiertegen met succes bezwaar maakt (‘oppositie voert’), heeft de bewuste persoon een absoluut merkrecht op het betreffende woord of teken verkregen. Niemand anders mag daarna binnen de Benelux van dit of een soortgelijk woord- of beeldmerk gebruikmaken ter aanduiding van vergelijkbare waren of diensten. Zo iemand toch daartoe overgaat, kan de rechthebbende op het merkrecht hiertegen in rechte optreden en beëindiging van het onrechtmatige gebruik alsook eventueel schadevergoeding vorderen. Voor een Gemeenschapsmerk geldt een vergelijkbare regeling. Een Europees verdrag bepaalt hier dat degene die als eerste een woord- of beeldmerk heeft ingeschreven in het gemeenschapsregister daarop een absoluut werkend merkrecht heeft verworven, thans evenwel met werking in de hele Europese Unie.

Men zou verwachten dat ten aanzien van het verkrijgen van een recht op een domeinnaam een vergelijkbare weg zou worden gevolgd. Een wettelijke regeling die bepaalt dat, wanneer aan enkele formaliteiten is voldaan, bijvoorbeeld de inschrijving in een openbaar domeinnamenregister, een absoluut werkend recht op het gebruik van deze domeinnaam kan worden verkregen. Toch is dat niet gebeurd. Er is geen wet die gericht is op domeinnamen. Iedere wettelijke regeling voor het verkrijgen van rechten op domeinnamen ontbreekt. Er is ook geen officieel register waarin rechthebbenden op domeinnamen hun rechten kunnen laten inschrijven. Er bestaat weliswaar een domeinnamenregister, maar dit is niet gegrond op een wettelijke regeling en de houder ervan is geenszins een overheidsinstelling, maar een privaatrechtelijke stichting, te weten de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN). De SIDN bezit wel een monopoliepositie in Nederland ten aanzien van Nederlandse domeinnamen. Dit komt omdat het technisch niet mogelijk is om buiten de SIDN om een domeinnaam te laten registreren die door de Nederlandse internetproviders als een Nederlandse ‘.nl-domeinnaam’ wordt erkend. Maar een wettelijke basis hiervoor ontbreekt. De SIDN heeft haar ‘bevoegdheid’ in 1996 verkregen van het Centrum voor Wiskunde en informatica in Amsterdam, dat het in 1986 weer gedelegeerd had gekregen van het Stanford Research institutie.

Het internet vormt een enorme verzameling wereldwijd met elkaar verbonden computers is, die op grond van vrijwillige (althans niet op formele wetgeving gebaseerde) afspraken werkt. Deze afspraken liggen vast in zogeheten Requests For Comments (RFC) die sinds 1998 door ICANN worden bewaakt. RFC 1034 en 1035 beschrijven hoe een domeinnaam in het zogenaamde Domain Name System een alfanumerieke representaties van een internetprotocol-, of IP-adres is: een unieke locatie op het internet die meestal bestaat uit een aantal cijfers. De DNS-server voor het .nl domein wordt beheerd door SIDN en is als het ware het telefoonboek van .nl.domeinnamen, omdat het de koppeling tussen domeinnaam, computer en internet tot stand brengt. Hetzelfde geldt overigens voor domeinnamen in andere TLDs – waarop Nederlands recht van toepassing is. Elke TLD gaat ervan uit dat domeinnamen onder voorwaarden worden uitgegeven door één instantie per TLD die onder voorwaarden van zelfregulering of – in sommige jurisdicties – wetgeving in formele zin domeinnamen kan intrekken, terwijl de domeinnaam overdraagbaar is.

De domeinnamen in Nederland worden dus ‘toegekend’ door een particuliere stichting op grond van een door haarzelf in het leven geroepen Reglement, die op geen enkele manier aan overheidscontrole is onderworpen. Nochtans weigerde de SIDN aanvankelijk bepaalde domeinnamen te aanvaarden, bijvoorbeeld als deze een te beschrijvend karakter hadden en daardoor onderscheidend vermogen misten. Sinds 2000 is deze preventieve ‘toetsing’ echter verdwenen. Nagenoeg alle woorden, beschrijvingen en cijfers alsook combinaties daarvan kunnen bij de SIDN als domeinnaam ter registratie worden aangeboden (echter géén beelden of tekens). Het aangebodene wordt, nadat de geldelijke vergoeding is betaald, zonder meer door de SIDN in haar domeinnamenregister ingeschreven, tenzij het teveel tekens bevat of precies dezelfde domeinnaam al eerder door haar is geregistreerd. In het laatste geval is de bewuste domeinnaam ‘niet meer vrij’. Zowel bij de totstandkoming van de spelregels als bij de controle op de uitvoering daarvan ontbreekt bij domeinnamen iedere vorm van onafhankelijke toetsing. Men moet maar hopen dat de SIDN geen fouten maakt. Uitgesloten is dat echter geenszins. De SIDN controleert namelijk niet of een ter inschrijving aangeboden domeinnaam in strijd is met een al bestaande handelsnaam of merk van een ander. Alles wordt ingeschreven. De rechthebbende op het ouder handelsnaam- of merkrecht kan zich – als absoluut gerechtigde – tegen de inschrijving verzetten. Weliswaar eist de SIDN van iedereen die een domeinnaam ter registratie aanbiedt dat deze haar vrijwaart voor eventuele schadeclaims van derden, maar daarmee kan zij – als privaatrechtelijke stichting – niet voorkomen dat zij direct door een derde met een sterker handelsnaam- of merkrecht tot vergoeding van schade wordt aangesproken wegens het verlenen van medewerking van het op ongeoorloofde wijze gebruikmaken van een door de Handelsnaamwet of het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom beschermde handelsnaam of merk (zie hierna).
Wat is een ‘domeinnaam’?

Een ‘domeinnaam’ is in wezen niets anders dan de aanduiding van een locatie op het internet, bestaande uit een aantal letters of cijfers, die bij elkaar meestal één of meer gemakkelijk te herkennen woorden vormen, maar waarachter een zogenaamd IP-adres schuilgaat, dat doorgaans bestaat uit een combinatie van tien cijfers. Dat IP-nummer is beslissend voor de vraag hoe men lang elektronische weg een website of e-mailadres kan bereiken. Men had er eveneens voor kunnen kiezen om het IP-nummer zelf als zoekopdracht of domeinnaam in te vullen. Maar dergelijke cijfercodes zijn moeilijk herkenbaar en kunnen niet gemakkelijk aan een bepaalde onderneming of persoon worden toegerekend. Wanneer men op zoek gaat naar de website van Heineken is het nu eenmaal gemakkelijker om ‘heineken.nl’ in te toetsen dan bijvoorbeeld 2316339776, zeker als alle andere namen eveneens zouden bestaan uit een tiencijferige code. Men zou al die verschillende nummers al snel niet meer uit elkaar kunnen houden, laat staan identificeren met een bepaalde onderneming of persoon. Dit probleem is verholpen door invoering van een ‘domeinnaam’. Men toetst de domeinnaam in, bijvoorbeeld ‘heineken.nl’, waarna de computer dit automatisch omrekent tot het IP-nummer 2316339776 en de betrokken persoon verwijst naar de website of het e-mailadres van Heineken, welke in de elektronische wereld onder deze code bekend is. De domeinnaam vereenvoudigt dus het zoeken naar websites en e-mailadressen en verhoogt de bereikbaarheid van degene die deze domeinnaam hanteert.

Iedereen kan een bepaalde naam verzinnen of gebruiken, bijvoorbeeld op zijn briefpapier of in reclameboodschappen, maar daarmee wordt die naam nog géén domeinnaam. Van een domeinnaam kan pas sprake zijn als zij als zodanig is erkend door de instantie die belast is met het toekennen en registreren van domeinnamen voor internet en e-mailverkeer, dat is in Nederland de SIDN. Hiermee verschilt een domeinnaam duidelijk van een zogenaamde ‘handelsnaam’. Op grond van de Handelsnaamwet geldt iedere naam waarmee een bedrijf aan het economisch verkeer deelneemt als de handelsnaam van dat bedrijf. De ondernemer kan zelf een naam verzinnen, bijvoorbeeld ‘Slagerij De Gouden Os’ of ‘Bullebak Incasso’. Louter door deze naam in het maatschappelijk verkeer als aanduiding voor zijn bedrijf te gebruiken, wordt die naam een ‘handelsnaam’ in de zin van de Handelsnaamwet en kan de rechthebbende daarop bij onrechtmatig gebruik daarvan door derden een beroep doen op de bescherming van deze wet. Iets dergelijks is bij domeinnamen niet mogelijk. Gebruik van de naam ‘Bullebak Incasso.nl’ op bijvoorbeeld briefpapier en andere aanduidingen maakt haar wel tot een handelsnaam van het incassobureau, maar nog niet tot een domeinnaam. Daarvoor is vereist dat de daartoe bevoegde instantie die naam als domeinnaam erkent. Een domeinnaam moet als zodanig op internet functioneren. Pas dan kan de naam als domeinnaam gelden en de rechthebbende daarvan gebruikmaken.

Niet iedere domeinnaam is overigens een handelsnaam. Zo zijn er vele particulieren die een eigen website met een aparte domeinnaam hebben. Omdat zij geen onderneming drijven, kan hun domeinnaam reeds om die reden niet als een handelsnaam worden beschouwd. En niet iedere domeinnaam waarvan een onderneming zich bedient, is gelijktijdig tevens haar handelsnaam. Met behulp van de domeinnaam moet de onderneming ten minste aan het economisch verkeer deelnemen en zich als zodanig presenteren. Dat is niet altijd het geval. Zo kan een speelgoedfabrikant de handelsnaam ‘Kiffyfun’ voeren en de domeinnaam ‘kiddyfun.nl’. Maar het is voorstelbaar dat zij daarnaast twee andere domeinnamen heeft laten registreren, bijvoorbeeld ‘speelgoed.nl’ en ‘kinderplezier.nl’, die rechtstreeks naar haar eigenlijke website ‘kiddyfun.nl’ doorverwijzen. Het zal van de overige omstandigheden afhangen of de namen ‘speelgoed.nl’ en ‘kinderplezier.nl’ eveneens als een handelsnaam van de onderneming ‘Kiddyfun’ kunnen worden aangemerkt. In beginsel is dat niet zo, omdat zij onvoldoende onderscheidend vermogen bezitten.

Een handelsnaamrecht is een intellectueel recht en kan door de rechthebbende daarop tegenover iedereen worden uitgeoefend. In die zin is het tevens een absoluut recht. Iedereen dient zich te onthouden van het gebruik van de handelsnaam, althans voor zover dit strijdig is met de Handelsnaamwet. De enige reden waarom een handelsnaamrecht een absoluut recht uitmaakt, is dat de Handelsnaamwet dit uitdrukkelijk zo bepaalt. Ook in dit opzicht verschilt een handelsnaamrecht van een domeinnaamrecht. In tegenstelling tot een handelsnaamrecht is een recht op een domeinnaam niet in enige wet geregeld. Er bestaat met andere woorden geen wet die voorschrijft waaraan een domeinnaam moet voldoen en welke bevoegdheden de rechthebbende daarop heeft. Er is dus ook geen wettelijke regel die aangeeft hoe en wanneer de rechthebbende op een domeinnaam zich kan verweren tegen derden die daarop inbreuk maken. Daarvoor is de rechthebbende aangewezen op de rechtsmiddelen die het algemene verbintenissen-en vermogensrecht van Boek 3 en Boek 6 BW hem bieden.
De juridische kwalificatie van een ‘recht op een domeinnaam’ (een relatief werkend vorderingsrecht jegens de SIDN)

Nu een algemene wettelijke basis daarvoor ontbreekt, kan een recht op een domeinnaam niet worden beschouwd als een intellectueel recht met absolute werking. Er bestaat immers geen wet die een zodanige werking daaraan toekent. Zoals gezien, geschiedt de registratie van domeinnamen in Nederland door een privaatrechtelijke stichting, de SIDN, die daartoe zelf reglementen en voorwaarden heeft opgesteld. Alle Nederlandse providers en internetaanbieders erkennen de SIDN als enige instantie die bevoegd is om Nederlandse .nl-domeinnamen uit te schrijven. Dit is praktisch en technisch zo geregeld. Iemand die een .nl-domeinnaam wil laten registreren, is daardoor feitelijk aangewezen op de SIDN. Er bestaat gewoon geen andere vergelijkbare instantie.

Het voormelde brengt met zich mee dat de werking tegenover derden van een ‘recht op een domeinnaam’ uitsluitend voortvloeit uit de monopoliepositie die de SIDN in de praktijk, louter op grond van haar relatie tot Nederlandse internetaanbieders en buitenlandse zusterorganisaties, inneemt. Hoe vertaalt zich dat juridisch naar de verhouding van de SIDN jegens degenen die bij haar een domeinnaam hebben laten registreren (‘registranten’)? De SIDN kan géén absoluut werkend intellectueel recht aan de rechthebbenden op een domeinnaam toekennen of in het leven roepen, aangezien daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt en de SIDN niets anders is dan een privaatrechtelijke stichting. Die mogelijkheid is haar gewoon niet bij wet gegeven. Wel sluit de SIDN met iedereen die aan haar een domeinnaam ter registratie aanbiedt, een overeenkomst, waarin de betrokken aanbieder zich aan de reglementen van de SIDN onderwerpt. Juridisch gaat het dus om niets anders dan een contractuele relatie tussen de SIDN en de aanbieder van een domeinnaam. De reglementen van de SIDN, waaraan iedere registrant zich verplicht moet onderwerpen en dus op deze overeenkomsten van toepassing worden verklaard, zijn gelijk te stellen met algemene voorwaarden in de zin van afd. 6.5.3 BW. De juridische verhouding tussen de SIDN en de registrant van een domeinnaam wordt uitsluitend door de inhoud van deze overeenkomst en reglementen beheerst. In die overeenkomst verplicht de SIDN zich om de domeinnaam exclusief te gebruiken ten behoeve van een website of e-mailadres van de rechthebbende op de domeinnaam. Zij verbindt zich daarbij dus tevens om dezelfde domeinnaam, nadat die bij haar is geregistreerd, niet ten behoeve van een ander voor deze doeleinden te laten gebruiken. De registrant van een domeinnaam verbindt zich zijnerzijds om jaarlijks een bepaalde vergoeding – via een tussenpersoon (deelnemer) – aan de SIDN te voldoen. Beide partijen zijn over en weer verplicht om deze verbintenissen na te komen. Doet één van hen dat niet, dan is er sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verbintenis jegens de ander. Die ander kan nakoming eisen, maar bijvoorbeeld ook schadevergoeding en/of besluiten de overeenkomst met de SIDN te ontbinden. De normale regels voor de niet-nakoming van een overeenkomst zijn in dat geval van toepassing.
Het recht op een domeinnaam is een ‘vorderingsrecht’ uit een wederkerige overeenkomst

In de rechtsliteratuur zijn in het verleden verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de vraag of het recht op een domeinnaam een absoluut of relatief werkend recht uitmaakt. De meeste schrijvers zijn thans echter van mening dat het gaat om een relatief recht, namelijk een vorderingsrecht van de domeinnaamhouder jegens de SIDN, die voortvloeit uit de tussen hen gesloten registratieovereenkomst, inhoudende dat de SIDN zich jegens de domeinnaamhouder heeft verbonden om onder nader omschreven voorwaarden een koppeling tussen de domeinnaam en het IP-adres aan te brengen en deze in stand te houden (vgl. P.L. Reeskamp, De .nl domeinnaam in het .nl vermogensrecht, Computerrecht 2000, p. 275-283, Chavannes, t.a.p., 2000, p. 331-333, Boukema en Krans, Laat de wetgever met rust, NJB 2001, p.1614-1615, F.W. Grosheide, Het conceptwetsvoorstel verhandelbaarheid van vermogensrechten, TvI 2002, p. 251-258, A. van Hees, JBPr 2002, 11, H.J.M. Boukema en T.F.E. Tjon Tjin Tai, Synchroniciteit tussen internationale arbitrage en Nederlandse rechtspraak over domeinnnamen, RM Themis 2003, p. 86 en De Jong in zijn dissertatie).

In feite is het derhalve niet juist om te spreken van een rechthebbende óp een domeinnaam. Dit suggereert immers dat degene die een domeinnaam bij de SIDN heeft laten registreren, een absoluut werkend recht heeft verkregen, een intellectueel recht dat hij krachtens de wet tegenover iedereen kan uitoefenen en waarop niemand inbreuk mag maken. Dat is echter geenszins het geval. Juridisch is degene die een domeinnaam bij de SIDN heeft laten registreren, een schuldeiser van de SIDN. Tegen betaling van een (jaarlijkse) registratievergoeding heeft hij van de SIDN het exclusieve gebruiksrecht van een domeinnaam op internet heeft verkregen. Het recht op de domeinnaam is niets anders dan een vorderingsrecht van de schuldeiser jegens de SIDN, welke alleen maar absolute werking lijkt te hebben, omdat de SIDN op dit terrein een monopoliepositie inneemt. Er is met andere woorden maar één instantie in Nederland die op deze manier domeinnamen op het internet kan registreren en aanbieden. In haar verhouding tot degenen met een registratierecht (‘registranten’), heeft de SIDN zich verbonden om reeds ingeschreven domeinnamen niet ten behoeve van anderen te registreren. Doet zij dat toch, dan schiet zij tegen de registrant die de desbetreffende domeinnaam al had laten registreren, toerekenbaar tekort in de nakoming van haar contractuele verbintenis. De registrant kan op grond daarvan nakoming eisen, in die zin dat de SIDN de domeinnaam van de ander dient te verwijderen, en eventueel schadevergoeding vorderen of de overeenkomst met de SIDN ontbinden. De SIDN is zelf geen eigenaar of houder van de ingeschreven domeinnamen, noch van de domeinnamen die in de toekomst zouden kunnen worden verzonnen en ingeschreven. Zij is slechts een registratie-organisatie die registranten de technische toegang biedt tot een IP-nummer op het internet, waaraan een website of e-mailadres is gekoppeld. Ook in dit technisch opzicht verschilt de SIDN van een officieel register dat bijvoorbeeld wordt gehouden door het Bureau Intellectuele Eigendom (merken en modellen) of het octrooibureau (octrooien). Het verschil is immers niet alleen dat dergelijke merken- of octooibureaus hun positie aan de wet ontlenen, die hen exclusief bevoegd maakt om merken of octrooien met absolute werking te registreren, maar ook dat de SIDN daarnaast nog een aanvullende prestatie van technische aard moet verrichten, door de registrant via een uniek IP-nummer toegang tot het internet te verlenen, gebruikmakend van haar monopoliepositie en haar bijzondere verhouding tot alle andere bedrijven die een rol vervullen bij het laten functioneren van het internet. De SIDN moet daarbij doorlopend een prestatie blijven verrichten jegens de registrant, wil diens jegens de SIDN verkregen recht op de domeinnaam inhoud hebben. ‘Als de DNS database van de SIDN faalt, heeft de domeinnaamhouder niets meer aan zijn domeinnaam, omdat zijn domeinnaam op internet niet meer gevonden zal kunnen worden. Een dergelijke materiële functie heeft een merken- of octrooibureau uiteraard niet. Juist het recht op deze prestatie door de SIDN verleent aan het domeinnaamrecht zijn relatieve status’ (R.D. Chavannes, NJ 2001/25, p. 1165 e.v.).

Sommige schrijvers beschouwen een recht op een domeinnaam als een recht op een voortbrengsel van de geest, dus als een intellectueel eigendomsrecht, dat gelijk gesteld kan worden met een absoluut recht op een verhaal, merk, model, uitvinding of handelsnaam. Dat is echter niet het geval. Het verzinnen van een domeinnaam vergt geen zodanige intellectuele prestatie dat reeds om die reden van een intellectueel recht zou kunnen worden gesproken. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot het schrijven van een verhaal (auteursrecht), het maken van een tekening of model (modellenrecht) of het doen van een uitvinding (octrooi). Weliswaar dient hetzelfde te worden gezegd voor een woordmerk of handelsnaam, maar hier volgt uitdrukkelijk uit de wet dat, wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, er sprake is van een intellectueel recht met absolute werking. Juridisch is het zuiverder om het recht van een domeinnaamhouder te kwalificeren als een aan een wederkerige overeenkomst ontleend vorderingsrecht jegens de SIDN. Het is derhalve een relatief werkend recht, dat door de domeinnaamhouder uitsluitend tegenover haar directe wederpartij, de SIDN, kan worden uitgeoefend. Uitsluitend omdat de SIDN een monopoliepositie inneemt ter zake van. Nu de SIDN zich contractueel heeft verbonden om dezelfde domeinnaam niet aan anderen toe te kennen en er feitelijk geen andere instanties in Nederland zijn die dezelfde prestatie als de SIDN aanbieden (het registreren van domeinnamen en het toekennen van unieke IP-nummers), verkrijgt het recht van de domeinnaamhouder feitelijk wel een soort absolute werking. Dat dit slechts schijn is, blijkt als de SIDN haar verbintenis niet zou nakomen en toch eenzelfde domeinnaam ten behoeve van een ander zou registreren. De domeinnaamhouder met een ‘ouder recht’ kan zich hiertegen niet verweren door een beroep te doen op een in het bijzonder voor een dergelijke inbreuk geschreven wet, maar uitsluitend met behulp van de algemene regels van het overeenkomsten- en verbintenissenrecht. Het gevolg hiervan is dat hij zich in beginsel niet rechtstreeks kan wenden tot de derde die inbreuk pleegt, met wie hij immers geen contractuele relatie onderhoudt, maar alleen tot haar eigenlijke wederpartij, de SIDN, die zich immers niet heeft gehouden aan de met de domeinnaamhouder gesloten overeenkomst. Wel kan de derde indirect rechtstreeks worden aangesproken, maar alleen omdat deze derde zich in haar overeenkomst met de SIDN aan bepaalde voorwaarden heeft onderworpen (zie hierna).
Recht op een domeinnaam is een vermogensrecht

Het recht van de domeinnaamhouder is dus geen absoluut recht en ook geen intellectueel recht, maar een vorderingsrecht van de domeinnaamhouder jegens de SIDN met uitsluitend verbintenisrechtelijke – dus relatieve – werking. Wel gaat het om een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge dit artikel zijn vermogensrechten de rechten die hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Het vorderingsrecht van de domeinnaamhouder jegens de SIDN (‘recht op de domeinnaam’) heeft zonder meer een economische waarde in het maatschappelijk verkeer en het kan worden overgedragen, wat ook veelvuldig geschiedt. Voor zover de domeinnaamhouder een onderneming drijft, strekt het er mede toe om de rechthebbende een stoffelijk voordeel te verschaffen. Art 3:1 BW bepaalt dat alle vermogensrechten tevens ‘goederen’ zijn. Doordat het recht op een domeinnaam een vermogensrecht vormt, is het automatisch ook een goed. Evenals de intellectuele eigendomsrechten is het een onstoffelijk – dus immaterieel – goed. Het vertoont alle kenmerken en eigenschappen van een vordering op naam.
Aanvragen van een (recht op een) domeinnaam

De administratieve wijze waarop een recht op een domeinnaam wordt verkregen, is van belang voor de juridische kwalificatie van het domeinnaamrecht. Zowel ondernemingen, rechtspersonen als natuurlijke personen (privé personen) kunnen een domeinnaam onder .nl aanvragen bij de SIDN. Dit kan door het invullen van een schriftelijk of elektronisch aanvraagformulier. Het registreren van een .nl-domeinnaam is gebonden aan een aantal inhoudelijke en technische eisen. Deze zijn te vinden in het “Reglement voor registratie van .nl-domeinnamen”. De procedure bij de SIDN betreft alleen de aanvragen voor een domeinnaam met het toplevel domein.nl. Aanvragen voor andere countrycode level domains en generieke toplevel domains moeten elders worden aangevraagd. Landen zijn autonoom in het registreren van domeinnamen. Per land en ook voor de generieke uitgangen als bijvoorbeeld .com, .net, .org, .info, .biz en .edu gelden dus andere regels.

Op de website van de SIDN kan iedereen die een bepaalde domeinnaam wil laten registreren, zelf controleren of de door hem gewenste naam nog ‘vrij’ is of reeds ‘actief’. In het laatste geval heeft een andere domeinnaamhouder de naam al met succes laten inschrijven. Is de gekozen domeinnaam nog vrij, dan dient degene die deze bij de SIDN wil laten registreren, contact op te nemen met een zogenaamde ‘deelnemer’. Een domeinnaam kan uitsluitend worden aangevraagd via een deelnemer van SIDN en dus niet rechtstreeks door de aanvrager bij deze registratie-organisatie. De meeste deelnemers zijn hostingbedrijven, Internet service of access providers (maar ook steeds meer multinationals, merkenbureaus en reclamebureaus worden Deelnemer). Deze bedrijven verschaffen toegang tot het internet en/of houden zich bezig met het gebruiken van internet als communicatiemiddel, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van websites. In beginsel kan iedere Nederlandse onderneming deelnemer worden in de Stichting Internet Domeinnaamregistratie Nederland. Rechten en verplichtingen zijn opgenomen in het Reglement van de Deelnemers. Een deelnemer (Internet Service Provider = ISP) heeft een contract met de SIDN voor de uitgifte van .nl-domeinnamen. Op de website van de SIDN staat een overzicht van alle deelnemers die aangesloten zijn bij SIDN. Voordat het verzoek tot registratie van de .nl-domeinnaam bij een deelnemer (ISP) wordt ingediend, dient de aanvrager akkoord te gaan met het “Reglement voor registratie van .nl-domeinnamen” en de voorwaarden zoals deze zijn gesteld in het “registratiecontract”. Hoe dit dient te gebeuren is afhankelijk van de aangezochte deelnemer. De aanvrager kan akkoord gaan met de voorwaarden door het sturen van e-mail, of het aanvinken van een invulveld op de website van de bewuste deelnemer. De deelnemer is vrij hierin te kiezen. De deelnemer kan de aanvrager verzoeken om een ondertekend registratiecontract naar hem toe te sturen. Dit registratiecontract voor registratie van een .nl-domeinnaam kan men downloaden op de website van de SIDN. Het registratiecontract is de overeenkomst tussen de aanvrager (de houder van de domeinnaam) en de SIDN. Zonder een ondertekend contract is onduidelijk wie de aanvrager/houder is van de .nl-domeinnaam en wie aan het registratiecontract en de aanvullende voorwaarden gebonden is. SIDN heeft het recht om (een kopie van) het registratiecontract op te vragen bij de deelnemer. Het niet of onvolledig aanwezig zijn van formulieren kan betekenen dat SIDN de .nl-domeinnaam kan opheffen. De aanvrager moet zowel opgeven ten behoeve van welke persoon de domeinnaam wordt geregistreerd alsmede wie de administratieve contactpersoon persoon is, die het aanspreekpunt vormt voor de SIDN en anderen. Daarnaast dient een technisch contactpersoon (tech-c) te worden vermeld. Deze persoon is het aanspreekpunt voor de SIDN indien er zich technische problemen met de betreffende .nl-domeinnaam voordoen. Het komt regelmatig voor dat de deelnemer deze functie overneemt en een emailadres opgeeft dat wordt gelezen door de deelnemer. De aanvrager moet op het moment van de aanvraag reeds een geldig emailadres hebben. Zo de aanvrager niet reeds daarover beschikt, zorgt de deelnemer hiervoor.

Wanneer de voorgaande stappen correct afgehandeld zijn, vult de deelnemer een elektronisch formulier in en stuurt dit volgens de vastgestelde procedure naar SIDN. Vervolgens neemt SIDN de aanvraag in behandeling. Na acceptatie wordt de .nl-domeinnaam met de eerstvolgende update van de .nl zone operationeel. SIDN brengt de deelnemer hiervan op de hoogte. Na registratie kan de domeinnaamhouder zijn gegevens controleren op de website van de SIDN en is de domeinnaam operationeel. Dat wil zeggen dat onder deze naam een website kan worden gepubliceerd (en meestal tevens een daarop aansluitend emailadres geactiveerd).

Tot 1996 controleerde de SIDN of de aangevraagde domeinnaam inhoudelijk aan bepaalde vereisten voldeed. Zo konden in eerste instantie alleen ondernemingen een domeinnaam aanvragen en diende zij een uittreksel uit het handelsregister over te leggen waaruit volgde dat de verzochte domeinnaam reeds als handelsnaam voor het bedrijf werd gebruikt. Tevens werd, wanneer de domeinnaam niet in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als handelsnaam was ingeschreven, de overlegging van een merkregistratiecertificaat verlangt. De gekozen domeinnaam mocht voorts niet te algemeen zijn en geen beschrijvend karakter dragen, omdat anderen dan geen gebruik meer daarvan zouden kunnen maken.

Deze weg is sinds 1996 geheel verlaten. Niet alleen ondernemingen maar ook particulieren kunnen een domeinnaam aanvragen. ‘In het Reglement voor de Registratie van Domeinnamen is de verantwoordelijkheid voor de keuze van de domeinnaam bij de aanvrager gelegd. SIDN voert thans geen controle uit of de domeinnaam overeenstemt met een merk of handelsnaam van de aanvrager, zodat daartoe bijvoorbeeld geen merkregistratiecertificaat of bewijzen van gebruik van de handelsnaam behoeven te worden overgelegd. Als belangrijk tegenwicht voor het opheffen van de controle vooraf moet de aanvrager een vrijwaringverklaring ondertekenen waarin hij verklaart kennis te hebben genomen van het reglement en dit te aanvaarden.14 In de vrijwaringverklaring verplicht de aanvrager (houder) zich SIDN, haar bestuursleden en de deelnemers te vrijwaren tegen aanspraak van een derde dat de gekozen domeinnaam inbreuk op diens rechten maakt en verplicht hij zich alle schade en kosten van de gevrijwaarde die uit dergelijke aanspraken voortvloeien te vergoeden. De verklaring wordt afgegeven aan en bewaard door de deelnemer (en bij verandering van provider doorgegeven aan de nieuwe provider). (F. Falkena, K. Gilhuis en W. Wefers Bettink, NJ 2001/18, p. 841-848). Wel kent de SIDB een lijst met aan haar voorbehouden .nl-domeinnamen. Daardoor kunnen deze domeinnamen niet worden aangevraagd en geregistreerd. Het gaat bijvoorbeeld om namen als ftp.nl, mail.nl, nl.nl en www.nl en bepaalde cijfercombinaties.
Inhoud van de registratieovereenkomst tussen de SIDN en een domeinnaamhouder

De relatie van een domeinnaamhouder tot anderen wordt bepaald door de monopoliepositie van de SDIN en de registratieovereenkomsten die hij en alle andere domeinnaamhouders met de SIDN hebben gesloten. Juridisch bestaat er uitsluitend een contractuele relatie tussen de domeinnaamhouder en de SIDN, zij het dat in de toepasselijke voorwaarden (reglement) ook bepalingen zijn opgenomen die betrekking hebben op de positie en rechten van derden. Maar dit blijft een verbintenisrechtelijke afspraak tussen uitsluitend de domeinnaamhouder en de SIDN. De andere domeinnaamhouders zijn géén partij bij deze overeenkomst, maar onderhouden ieder voor zich wel exact dezelfde contractuele relatie met de SIDN.

De inhoud van het registratiecontract omvat de volgende hoofdpunten. Het registratiecontract wordt alleen tussen partijen aangegaan met betrekking tot de aangevraagde domeinnaam. Daarop zijn mede van toepassing de bepalingen van het “Reglement voor registratie van .nl-domeinnamen” (Reglement). De SIDN verbindt zich in de overeenkomst om de domeinnaam in het register op te nemen en opgenomen houden alsmede om de domeinnaam op te (doen) nemen in de .nl.zonefile. De domeinnaamhouder is verplicht om daarvoor een (jaarlijkse) vergoeding te betalen. Daarmee zijn de hoofdverbintenissen van beide partijen gegeven.

De SIDN controleert zelf niet of de opgegeven domeinnaam strijdig is met een reeds gebruikte handelsnaam, een ingeschreven merkrecht of enig ander recht van een ander. Dat houdt voor haar een zeker risico in. Door mee te werken aan de registratie van de domeinnaam en het gebruik daarvan mogelijk te maken, handelt zij immers (ook zelf) in strijd met een eventueel al bestaand recht van een ander. De SIDN wentelt haar aansprakelijkheid daarvoor echter zoveel mogelijk af op de domeinnaamhouder. In het registratiecontract dient deze te verklaren dat hij ervoor instaat dat de door hem verstrekte gegevens juist en volledig zijn vermeld en dat hij gerechtigd is de aangevraagde domeinnaam te gebruiken. Tevens dient de domeinnaamhouder te verklaren dat hij naar zijn beste weten door de registratie en (eventueel later) gebruik van de aangevraagde domeinnaam geen inbreuk maakt op rechten van derden. Hier is sprake van een door de domeinnaamhouder aan de SIDN verstrekte garantie. Mochten de verklaringen van de domeinnaamhouder achteraf niet juist blijken te zijn, dan schiet de domeinnaamhouder toerekenbaar tekort in de nakoming van deze garantieverbintenis. De SIDN is bevoegd het registratiecontract te ontbinden en de domeinnaamhouder voor de eventueel geleden schade aansprakelijk te houden. Dit verhindert echter niet dat de derde, op wiens recht inbreuk wordt gemaakt, ook de SIDN direct aansprakelijk kan houden voor de nadelige gevolgen van de schending van zijn recht en op grond daarvan de SIDN kan aanspreken op doorhaling van de domeinnaam alsmede tot vergoeding van de inmiddels geleden schade. Omdat de SIDN geen overeenkomst met de derde heeft gesloten, kan zij deze aansprakelijkheid niet langs contractuele weg afwenden. Dit geldt evenzeer als de derde wellicht ook zelf een andere of vergelijkbare domeinnaam bij de SIDN heeft laten registreren en daarvoor eenzelfde registratiecontract met de SIDN heeft gesloten. Dat registratiecontract is immers alleen tussen de SIDN en de derde met betrekking tot die andere domeinnaam aangegaan. Voorts bevatten het registratiecontract en het toepasselijke reglement geen bedingen die voor deze situatie een regeling bevatten. De SIDN is met andere woorden rechtstreeks jegens de derde aansprakelijk wegens schending van diens recht.

Wel heeft de SIDN van de domeinnaamhouder bedongen, mocht deze toch inbreuk blijken te maken op andermans recht, dat deze haar vrijwaart voor alle schade en kosten die voor haar voortvloeien uit een aansprakelijkstelling door een derde wegens het feit dat de registratie en/of het gebruik van de aangevraagde domeinnaam inbreuk maakt op diens rechten. De derde voelt van deze clausule echter niets in haar verhouding tot de SIDN. Doet de situatie zich voor dat een bij de SIDN geregistreerde domeinnaam inbreuk maakt op het recht van een derde, bijvoorbeeld op diens handelsnaam of merkrecht, dan is de SIDN daarvoor rechtstreeks jegens de derde aansprakelijk op de daarvoor gebruikelijke wijze. De derde kan uit hoofde van een door de SIDN gepleegde onrechtmatige daad vorderen dat de SIDN de inbreuk makende registratie staakt en de reeds ingetreden schade vergoedt. De SIDN is vervolgens op grond van het vrijwaringsbeding in het registratiecontract met de domeinnaamhouder bevoegd om de aan de derde betaalde schadevergoeding en eventueel daarnaast geleden schade op de domeinnaamhouder te verhalen. Maar daar staat de derde verder buiten, al kan hij doorgaans ook zelf de domeinnaamhouder direct aansprakelijk houden. Heeft hij de domeinnaamhouder met succes aangesproken om het inbreukmakende gedrag te staken (door doorhaling van diens domeinnaam in het register van de SIDN) en de eventueel ondervonden schade op hem verhaald, dan kan hij daarvoor natuurlijk niet nogmaals de SIDN aansprakelijk houden. De schade is éénmaal geleden en al door de domeinnaamhouder vergoed.
Overdracht van een domeinnaam

Het recht op een domeinnaam is een vorderingsrecht op naam van de domeinnaamhouder jegens de SIDN. Het kan zoals iedere vordering op naam door de schuldeiser (domeinnaamhouder) aan een ander worden overgedragen, nu de wet of de aard van het recht zich daartegen niet verzet (art. 3:83 lid 1 BW). Omdat het daarbij gaat om de overdracht van een vordering op naam dient de overdracht te geschieden overeenkomstig de wettelijke regels die art. 3:94 lid 1 BW stelt voor een cessie. Voor de overdracht van de domeinnaam is dus vereist dat de domeinnaamhouder (oude schuldeiser) en de nieuwe rechthebbende (nieuwe schuldeiser) onderling een schriftelijke akte opmaken van de overdracht en dat één van hen vervolgens aan de SIDN (schuldenaar) mededeling doet van de overdracht. De instemming van de SIDN is daarvoor niet vereist, nu er geen sprake is van een contractsovername.

Overigens heeft de SIDN in de registratieovereenkomst reeds bij voorbaat haar instemming aan de overdracht van de vordering (of overeenkomst) gegeven, mits aan de daar gestelde vereisten is voldaan. Sinds 2003 spreekt de registratieovereenkomst niet meer van overdracht van de domeinnaam, maar van een ‘wijziging van de domeinnaamhouder’. Bij het wijzigen van de domeinnaamhouder gaat de domeinnaam over naar een nieuwe houder of verandert de naam van de domeinnaamhouder. Het wijzigen van de domeinnaamhouder verloopt steeds via een deelnemer. De deelnemer dient hiertoe een door de bestaande domeinnaamhouder en de toekomstige domeinhouder ingevuld en ondertekend ‘formulier voor wijziging domeinnaamhouder’ (cessieakte) en een nieuw registratiecontract (aangegaan door de nieuwe domeinnaamhouder) te ontvangen. Nadat de deelnemer deze stukken heeft ontvangen, stuurt hij de nieuwe administratieve en technische gegevens door naar de SIDN (mededeling van de cessie namens de oude en nieuwe domeinnaamhouder aan de schuldenaar). Daarmee is de overdracht van de domeinnaam gerealiseerd. Aanpassing in het register van de SIDN is daarvoor geen vereiste, al geschiedt dit natuurlijk wel zo snel mogelijk na ontvangst van de mededeling van de deelnemer.
Beslag op een domeinnaam

Zowel in de rechtsliteratuur als rechtspraak is aanvaard dat het recht op een domeinnaam een overdraagbaar vermogensrecht is, zodat daarop beslag kan worden gelegd. Alleen de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Den Bosch lijkt een andere mening te zijn toegedaan. Hij heeft herhaaldelijk een verzoek om beslag te mogen leggen op een (recht op een) domeinnaam afgewezen, met de onjuiste opvatting dat een domeinnaam geen vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW zou zijn en geen roerende zaak, en dus niet vatbaar voor beslag. Bij beschikking van 17 januari 2007 heeft het Hof ‘s-Hertogenbosch deze beslissing vernietigd en bepaald dat de domeinnaam wél een vermogensrecht is (rol.nr R06/1439, gepubliceerd in Computerrecht 2007/3).

Nu het recht op een domeinnaam in juridische zin een overdraagbaar vorderingsrecht is van de domeinnaamhouder jegens de SIDN kan er door de schuldeisers van de domeinnaamhouders of anderen die stellen een beter recht te hebben beslag op worden gelegd. De SIDN heeft als gedragslijn aanvaard dat, wanneer op de juiste wijze beslag is gelegd op een domeinnaam, SIDN niet meewerkt aan een verzoek tot wijziging domeinnaamhouder of opheffing van die domeinnaam. Het blijft echter wel mogelijk, ondanks een gelegd beslag, een domeinnaam te verhuizen naar een andere deelnemer.

Ten eerste is het mogelijk om op grond van art. 730 lid 1 Rv een conservatoir beslag tot levering te leggen, wat ook vaak gebeurt. Het in dit geval te leveren goed is het jegens de SIDN uit te oefenen vorderingsrecht op registratie. Gedurende het conservatoire beslag op levering mag de SIDN niet meer meewerken aan de overdracht van de domeinnaam aan een derde. Zodra de beslaglegger een executoriaal vonnis heeft verkregen op grond waarvan hij de domeinnaam als een aan hem toebehorend goed kan opvorderen, heeft hij de domeinnaam nog niet op zijn naam gesteld gekregen. Daarvoor zal de gedaagde domeinnaamhouder nog zijn medewerking moeten verlenen. Hij zal met andere woorden tezamen met de beslaglegger een cessieakte moeten opstellen, waarvan mededeling aan de SIDN wordt gedaan. Wel is het denkbaar dat een reële executie plaatsvindt op grond van art. 3:300 lid 2 BW. Volgens dit artikel is de rechter bevoegd om, wanneer de gedaagde (domeinnaamhouder) gehouden is om tezamen met de eiser (beslaglegger) een akte op te maken, te bepalen dat zijn uitspraak in plaats van de akte zal treden. Vervolgens zal de SIDN op basis van art. 15 lid 3 van haar reglement de domeinnaam op naam van de beslaglegger zetten.

Hoewel het recht op een domeinnaam juridisch heeft te gelden als een vorderingsrecht van de domeinnaamhouder jegens de SIDN, kan er geen derdenbeslag onder de SIDN worden gelegd in de zin van art. 475 Rv. Het leggen van een derdenbeslag onder de schuldenaar van de vordering waarop ten laste van diens schuldeiser door een derde beslag is gelegd, is immers alleen mogelijk ten aanzien van vorderingen die strekken tot betaling van geld of de afgifte van enig ander goed aan degene op wiens vordering beslag is gelegd. Van een recht op betaling of afgifte van de domeinnaamhouder dat hij jegens de SIDN zou kunnen uitoefenen, is in dit geval geen sprake. Uit het vorderingsrecht van de domeinnaamhouder jegens de SIDN volgt immers niet dat de SIDN – als schuldenaar van de domeinnaamhouder – nog een bepaald geldbedrag of goed aan de domeinnaamhouder zou moeten voldoen, maar uitsluitend dat de SIDN de voortdurende verplichting heeft om een koppeling met een IP-nummer tot stand te brengen en deze in stand te houden, zodat toegang tot het internet wordt verkregen. De beslaglegging en verdere executie dienen dan ook plaats te vinden op grond van art. 474bb Rv betreffende rechten “waarvan de executie niet elders is geregeld” (zie W. Snijders, De openheid van het vermogensrecht, in: Onderneming en 10 jaar nieuw burgerlijk recht, red.,S.C.J.J. Kortmann e.a., 2002, p. 49 en A. van Hees, t.a.p., 2002. De domeinnaamhouder is rechthebbende op de domeinnaam). Aangezien de SIDN zelf geen rechthebbende op de door haar ingeschreven domeinnamen, maar uitsluitend beheerder van het registratiesysteem, dient zij in de voorkomende gevallen op de voet van artikel 476a Rv te moeten verklaren dat derdenbeslagenen geen doel treft en dus niet beklijft.

Op het recht van de domeinnaamhouder kan eveneens een conservatoir verhaalsbeslag worden gelegd als bedoeld in art. 702 Rv. Een dergelijk beslag brengt tevens met zich mee dat de SIDN niet meer gerechtigd is om mee te werken aan de overdracht van de domeinnaam door de domeinnaamhouder aan een ander. Ook een dergelijk beslag kan slechts gelegd worden onder de domeinnaamhouder zelf, en dus niet via een derdenbeslag onder de SIDN. Wel verdient het aanbeveling om een kopie van beslagexploit aan SIDN te doen toekomen dan wel het beslagexploit aan SIDN over te betekenen. Dit heeft immers tot gevolg dat SIDN het beslag zal inschrijven in het beslagregister. Dit brengt met zich dat SIDN niet zal medewerken aan de overdracht van een beslagen domeinnaam. Dit alles volgt uit het beslagreglement zoals vastgesteld door SIDN. Nadat de rechter de vordering van de beslaglegger op de domeinnaamhouder heeft toegewezen, wordt het conservatoir beslag op de domeinnaam vanzelf omgezet in een executoriaal beslag. De domeinnaam kan op een openbare veiling worden verkocht en de beslaglegger mag zich verhalen op de executieopbrengst. Een dergelijk verhaalsbeslag komt in de praktijk echter zelden voor.
Verpanding van een domeinnaam

In de praktijk is duidelijk waarneembaar dat domeinnamen steeds meer een economische waarde in het maatschappelijk verkeer vertegenwoordigen. In dat kader wordt er door enkelen ook nagedacht over de mogelijkheid om domeinnamen te verpanden. SIDN is door een aantal verschillende partijen benaderd met de vraag hoe SIDN omgaat met verpanding van .nl-domeinnamen. De verpanding van een .nl-domeinnaam komt er kort gezegd op neer dat een domeinnaamhouder zijn domeinnaamrecht in onderpand geeft aan een pandhouder in ruil voor de verstrekking van een krediet of ter dekking van een schuld. Onder de toevoeging dat nog niet volledig is uitgekristalliseerd hoe een recht op een domeinnaam juridisch moet worden gekwalificeerd, heeft de SIDN als gedragslijn aanvaard dat, wanneer aan SIDN mededeling wordt gedaan van een verpanding, SIDN rekening zal houden met de verpanding van (onderdelen van) de betreffende .nl-domeinnaam. Wanneer mededeling van de verpanding op de juiste wijze is geschied, zal SIDN slechts meewerken aan de overdracht van de verpande domeinnaam, indien SIDN daartoe ook toestemming van de pandhouder heeft verkregen. Dit impliceert dat voor een dergelijke overdracht zowel de toestemming van de pandgever (domeinnaamhouder) als de pandhouder is vereist. Indien en zolang SIDN niet op de hoogte is gesteld van de verpanding van (een deel van) een .nl-domeinnaam, kan en zal SIDN geen rekening houden met deze verpanding.

Voor alle duidelijkheid: de aantekening in het Register van de verpanding door SIDN heeft niets te maken met de registratie van een onderhandse pandakte als vereiste voor vestiging van het pandrecht.

Het is de vraag of de voormelde benadering van de SIDN wel in overeenstemming is met de wet.

Vestiging van een openbaar pandrecht op een domeinnaamrecht vindt plaats door een (a) daartoe bestemde authentieke of onderhandse akte en (b) mededeling daarvan aan de debiteur van de verpande vordering (3:236 lid 2 juncto art. 3:94 lid 1 BW). Hoewel dit niet in de registratieovereenkomst of het toepasselijke reglement is terug te vinden, suggereert de SIDN op haar website dat de vestiging van een openbaar pandrecht door middel van een onderhandse akte alleen door haar erkend wordt wanneer die onderhandse akte is geregistreerd bij de Belastingdienst en dan nog alleen wanneer de mededeling van de verpanding overeenkomstig de door haar gestelde formaliteiten is gedaan. Alleen dan zal de SIDN niet zonder toestemming van de pandhouder meewerken aan een eventuele overdracht van de domeinnaam. De SIDN handelt hier echter in strijd met de wet door dergelijke aanvullende vereisten te stellen voor de erkenning van een verpanding. Zoals iedere andere schuldenaar is zij verplicht de gevolgen van een verpanding in acht te nemen zodra aan de daarvoor gestelde wettelijke vereisten is voldaan. Ook de schuldenaar die nog een bepaalde prestatie aan zijn schuldeiser moet voldoen, kan niet aan de pandhouder tegenwerpen dat hij diens pandrecht niet erkent zolang de pandhouder niet tevens een aanvullend vereiste heeft verricht, bijvoorbeeld de betaling van een bepaalde geldsom of de betekening van de verpanding door een deurwaarder. Net zo min als een andere schuldenaar kan de SIDN dus door zelf aanvullende voorwaarden te stellen de vestiging van een pandrecht, welke vestiging direct uit de wet voortvloiet, blokkeren. Een enkele niet-geregistreerde onderhandse akte die – op welke wijze dan ook – voldoende duidelijk aan de SIDN is medegedeeld, doet derhalve het pandrecht op de vordering van de domeinnaamhouder ontstaan en bewerkstelligt dat de SIDN niet meer aan een overdracht zonder toestemming van de pandhouder mag meewerken. Iets anders is dat de SIDN niet verplicht is om het gevestigde pandrecht in haar register in te schrijven. De SIDN heeft de mogelijkheid de verpanding in het domeinnaamregister aan te tekenen. Daaraan zou zij wel extra voorwaarden kunnen stellen. In de praktijk laten pandhouders de onderhandse pandakte doorgaans echter toch registreren bij de Belastingdienst en delen zij de verpanding op de door de SIDN gewenste manier mede teneinde discussies met de SIDN te voorkomen. Juridisch is de opstelling van de SIDN echter niet correct.

De domeinnaamhouder kan ook een zogenaamd stil pandrecht vestigen op zijn (recht op een) domeinnaam. Wanneer de pandgever (domeinnaamhouder) en pandhouder kiezen voor een stil pandrecht, dan dient dat krachtens de wet gevestigd te worden door een authentieke of een geregistreerde onderhandse akte. Omdat het om een stil pandrecht gaat, vindt mededeling aan de schuldenaar (SIDN) uiteraard niet plaats (art. 3:239 lid 1 BW).
Een geregistreerde domeinnaam die inbreuk maakt op het recht van een ander

De SIDN controleert zelf niet of een ter inschrijving aangeboden domeinnaam in strijd is met een al bestaand recht van een derde. Zij laat de domeinnaamhouder slechts in de registratieovereenkomst een verklaring afleggen waarin deze garandeert dat de registratie en het gebruik van de domeinnaam geen inbreuk oplevert met een recht van een derde en waarin de domeinnaamhouder de SIDN vrijwaart voor alle schade en kosten die ten laste van de SIDN mochten komen als toch van zo’n inbreuk sprake blijkt te zijn.

Indien de domeinnaam inbreuk maakt op een (al bestaand) recht van een derde kan de SIDN hiervoor door die derde rechtstreeks aansprakelijk worden gesteld. De SIDN werkt immers actief mee aan de inbreuk makende gedraging van de domeinnaamhouder, en wel door hem in staat te stellen met behulp van de strijdige domeinnaam aan het (internet)verkeer deel te nemen. De vraag of en in hoeverre de SIDN in dat geval zelf door de derde aansprakelijk kan worden gesteld, is mede afhankelijk van de aard van het recht waarop inbreuk wordt gemaakt alsook van de vraag of met behulp van de strijdige domeinnaam actief aan het economisch (internet)verkeer wordt deelgenomen.

Een domeinnaam die gelijk is of in haar geheel of belangrijke onderdelen sterk overeenstemt met een reeds bestaand woordmerk, maakt al snel op ongeoorloofde wijze inbreuk op dat merkrecht. De merkhouder kan van de domeinnaamhouder eisen dat de onrechtmatige inbreuk wordt gestaakt en dat de domeinnaam aan hem wordt overgedragen, al dan niet met betaling van een zekere schadevergoeding. Dit geldt niet alleen als de domeinnaam is gekoppeld aan of doorverwijst naar een website waarop een onderneming zich presenteert met gelijksoortige producten of diensten, maar ook als er anderszins verwarring valt te duchten of als door dit gebruik de waarde en/of uitstraling van het merkteken wordt aangetast. Wat als een domeinnaam slechts op naam van de domeinnaamhouder bij de SIDN is geregistreerd, maar daarvan geen actief gebruik wordt gemaakt. Zij voert met andere woorden een slapend bestaan. Alleen al het registeren van een domeinnaam kan, dus ook zonder dat die naam in het economisch verkeer wordt toegepast, inbreuk maken op een merkrecht op grond van (thans) art. 2.20 lid 1 onder d BVIE (zie bijv. Pres. Rb. Arnhem 25 oktober 1999, Computerrecht 2000/1, p. 53 (klm-alitalia.nl); Hof Amsterdam 11 januari 2001, Computerrecht 2001/2, p. 98 (Elsevier/Gaos), Pres Rb. Alkmaar 27 april 2006, DomJur 2006-291 (Texelnoordkop. nl). Ook het slechts laten registeren van domeinnamen die overeenstemmen met merken, bijvoorbeeld door twee of meer merken met elkaar in één domeinnaam te combineren of door typosquatting, kan ongeoorloofd zijn (bijv. Pres. Rb. Arnhem 25 oktober 1999, Computerrecht 2000/1, p. 53 ‘klm-alitalia.nl’ resp. Pres. Rb. Zutphen 30 maart 2000, Computerrecht 2000/3, p. 147 ‘www.nrc.nl’). Een al bestaand merkrecht biedt daardoor goede mogelijkheden om tegen het onbevoegdelijk gebruik van een met het merk strijdige domeinnaam aan te pakken.

Een domeinnaam kan eveneens inbreuk maken op een reeds bestaande handelsnaam van een ander. Een handelsnaam is de naam waaronder een bedrijf of rechtspersoon waarin een beroep wordt uitgeoefend, aan het economisch verkeer deelneemt. Zodra een onderneming een naam voert, waarmee zij zich naar buiten toe als bedrijf presenteert (bijv. op briefpapier, deurschilden, gevelborden of in reclameboodschappen, het telefoonboek en dergelijke) is er volgens de Handelsnaamwet sprake van een ‘handelsnaam’. Degene die als eerste deze naam ten behoeve van zijn onderneming heeft gevoerd, kan zich verzetten tegen het gebruik van dezelfde of een sterk daarop gelijkende handelsnaam door een ander, zij het alleen indien daardoor verwarring bij het publiek valt te verwachten. Beslissend daarvoor is onder meer of de overeenstemmende handelsnaam door de ander wordt gebruikt voor eenzelfde soort onderneming als die welke met de oudere handelsnaam wordt aangeduid alsook binnen welke regio het bedrijf actief is in verhouding tot de onderneming wier oudere handelsnaam wordt geschonden. Hoewel voor een handelsnaam niet de eis wordt gesteld dat deze voldoende onderscheidend vermogen heeft (zoals bijv. wel bij een merk), kan de naam zo algemeen beschrijvend zijn, dat het niet mogelijk is om daarvoor aan de Handelsnaamwet bescherming te ontlenen.

Een belangrijk verschil met de bescherming die een merkrecht biedt, is dat de Handelsnaamwet alleen niet toestaat dat een bedrijf in het economisch verkeer een handelsnaam gebruikt die hetzelfde of zeer gelijkend is op een reeds langer bestaande handelsnaam van een andere onderneming en beide bedrijven met soortgelijke activiteiten aan het economisch verkeer deelnemen. Dit betekent dus dat een domeinnaam alleen in strijd kan komen met een ouder handelsnaamrecht als ook de domeinnaam wordt gebruikt als handelsnaam voor een onderneming en er als gevolg daarvan verwarring bij het publiek valt te duchten. Dit doet zich in ieder geval niet voor als de domeinnaam slechts is geregistreerd en geen actief bestaan leidt. De rechthebbende op de handelsnaam kan dan niet uit hoofde van de Handelsnaamwet hiertegen optreden, bijvoorbeeld door opheffing of overdracht van de domeinnaam te vorderen. Evenmin biedt de Handelsnaamwet bescherming als de domeinnaam voor een geheel ander soort bedrijf wordt gebezigd. Er kan dan immers moeilijk verwarring bij het publiek ontstaan. Wel speelt het gebied waarin beide bedrijven opereren in zulke omstandigheden nauwelijks een rol, omdat de domeinnaam via internet op iedere plaats is te zien en zodoende per definitie ook verwarring kan veroorzaken in de regio waar de onderneming met de oudere handelsnaam voornamelijk werkzaam is. In dit soort situaties moet steeds worden vastgesteld of de domeinnaam, die inhoudelijk en naar aard van het bedrijf in strijd zou kunnen zijn met een oudere handelsnaam, ook de naam is waaronder de andere onderneming feitelijk wordt gedreven. Tot nu toe is de rechtspraak hierin zeer terughoudend. Een domeinnaam is in beginsel niet meer of anders dan een internetadres. Echter, hij kan door feitelijk gebruik op een website worden ‘gekleurd’ tot handelsnaam (Hof Amsterdam 19 oktober 2006, LIN AZ6080 ‘Quickprint.nl’). Maar daarvoor is alleen het gebruik van een domeinnaam als adres voor de website van de onderneming niet toereikend. Indien op die website nadrukkelijk een andere handelsnaam door de domeinnaamhouder wordt gebezigd ter aanduiding van zijn onderneming, is er volgens de meeste rechters nog geen sprake van een gebruik van die domeinnaam als handelsnaam (Pres. Rb. Zwolle-Lelystad 20 juni 2006, DomJur 2006-280 (vastgoedzwolle.nl). In gelijke zin oordeelde de voorzieningenrechter dat de gedaagde domeinnaamhouder de domeinnaam ijscoali.nl niet als handelsnaam voor zijn ijscozaak voerde, omdat zij hem alleen als domeinnaam, en dus niet op de website zelf, gebruikte en ‘klanten zijn onderneming als IJsco Ali aanduiden’ (Pres. Rb. Breda 31 mei 2006, DomJur 2006-286 ‘IJsco Ali’). Nochtans is het niet uitgesloten dat hetzelfde bedrijf twee of meer handelsnamen voert, waaronder wellicht één uitsluitend als domeinnaam (vgl. Hof Amsterdam 27 juli 2000, Computerrecht 2000/5, p. 253 ‘Beursplein5.nl’). Naarmate de domeinnaam en de presentatie van de onderneming op haar website een grotere rol spelen bij de bedrijfsvoering, mag sneller worden aangenomen dat ook de domeinnaam zelf een handelsnaam van de onderneming is. Men denke aan het geval dat klanten op deze website direct spullen kunnen bestellen bij het bedrijf. Alsdan is moeilijk vol te houden dat de onderneming niet (tevens) onder de domeinnaam aan het economisch verkeer deelneemt, zodat die naam reeds om die reden als een handelsnaam van deze onderneming heeft te gelden.

Bedacht dient voorts te worden dat de Handelsnaam alleen bescherming kan bieden als de oudere naam van het bedrijf ook daadwerkelijk als een handelsnaam in de zin van deze wet wordt aangemerkt. Daarover kan bijvoorbeeld twijfel bestaan als een beroepsbeoefenaar of maatschap van beroepsbeoefenaars onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt. Strikt genomen is er dan geen sprake van de naam van een ‘bedrijf’, zodat de Handelsnaam buiten toepassing blijft. Een maatschap van artsen met de naam ‘Medisch Centrum Westbroek’ voert geen handelsnaam en kan bijgevolg niet krachtens de Handelsnaamwet optreden tegen een fitnesscentrum dat onder deze naam schuilgaat. De meningen hierover zijn overigens verdeeld, omdat het verschil tussen een beroep en bedrijf steeds minder relevant wordt binnen het privaatrecht (vgl. de nieuwe regeling voor personenvennootschappen). Indien het beroep in de vorm van een besloten vennootschap of andere rechtspersoon wordt uitgeoefend, zal er in beginsel wel steeds sprake zijn van een handelsnaam in de hier bedoelde betekenis. Voorts kan de voormelde maatschap eventueel op een andere rechtsgrond ageren tegen het gebruik van de reeds door haar gevoerde naam door een soortgelijke instelling in dezelfde plaats, namelijk uit hoofde van oneerlijke concurrentie of een onrechtmatige daad in algemene zin. In dat geval is er wel meer nodig dan alleen het gebruik van dezelfde of soortgelijke naam om de ander op die grondslagen aan te vallen.

Uit dit laatste volgt dat strijd met een merkrecht of handelsnaam niet de enige rechtsgronden zijn met behulp waarvan iemand het gebruik van een bepaalde domeinnaam kan aanvechten. In geval van domeinnamen die overeenkomen met geslachtsnamen zou men een beroep op art. 1:8 BW kunnen doen (afwijzend echter in Rb. Arnhem 10 maart 2006, DomJur 2006-253 ‘Floortje Smit c.s./ Hoffs’). Meer succesvol lijkt een beroep op een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW, mits er aanvullende omstandigheden zijn waaruit volgt dat bewust van een domeinnaam gebruik wordt gemaakt, ofschoon men weet dat daarmee de belangen van een ander kunnen worden. Zo honoreerde de voorzieningenrechter het beroep van Balkenende op het algemene onrechtmatigedaadsartikel 6:162 BW om de domeinnaam janpeterbalkendende.nl te verkrijgen (Voorz. Rb. Arnhem 3 december 2002, Mediaforum 2003-2, p. 64, ‘Balkenende/ Stichting Liever’). Het is zelfs mogelijk een vordering tot overdracht van een domeinnaam op grond van een onrechtmatige daad toegewezen te krijgen (Rb. Arnhem 10 maart 2006, DomJur 2006-253 (Floortje Smit c.s./Hoffs). Een rechtsvordering uit onrechtmatige daad kan met name uitkomst bieden als de domeinnaamhouder de domeinnaam zelf niet gebruikt als handelsnaam, maar uitsluitend om de bezoeker van de onder die domeinnaam gevoerde website onmiddellijk door te linken naar de eigenlijke website van de onderneming van de domeinnaamhouder. Op die eigenlijke website treedt de domeinnaamhouder op onder een geheel andere handelsnaam. Het gebruik van de afwijkende domeinnaam, uitsluitend om naar een andere website door te linken, kan (wellicht) op zichzelf nog niet tot de conclusie leiden dat ook die domeinnaam als handelsnaam van de onderneming van de domeinnaamhouder is te beschouwen. Het hanteren van diverse actieve domeinnamen om de bezoeker meteen door te linken naar de eigenlijke website is niet onrechtmatig. Een speelgoedfabrikant met bijvoorbeeld de handelsnaam ‘Kiddyfun’ mag diverse domeinnamen laten registreren, zoals kiddyfun.nl, kiddy-fun.nl, kiddiefun.nl, kiffyfun.nl, maar ook bijvoorbeeld speelgoed.nl of kinderplein.nl, ook als deze allemaal rechtstreeks doorlinken naar zijn eigenlijke website. Hij tracht daarmee alleen maar de bereikbaarheid van die website te vergroten. Dit wordt anders als hij daarbij domeinnamen hanteert die veel lijken op de domeinnaam van zijn directe concurrent. Men denke aan het geval dat zijn concurrent, fabrikant ‘Speelgoedland’, een website houdt onder de domeinnaam speelgoedland.nl en fabrikant Kiddyfun de domeinnamen speelgoedlanmd.nl, speelgoed-land.nl en spelgoedland.nl heeft laten registreren, enkel met als doel om op die manier potentiële bezoekers van de website van zijn concurrent direct door te linken naar zijn eigen website. Omdat speelgoedfabrikant Kiddyfun deze domeinnamen slechts als doorgeefluik gebruikt, kunnen zij niet als zijn handelsnaam worden aangemerkt, zodat speelgoedfabrikant Speelgoedland hiertegen niet met behulp van de Handelsnaamwet kan optreden. Maar wel handelt speelgoedfabriek Kiddyfun onrechtmatig door op oneigenlijke wijze in concurrentie te treden met fabrikant Speelgoedland. Tot slotte zou in dergelijke situaties bij uitzondering eveneens uitkomst kunnen bieden een beroep op misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW (vgl. commentaar bij Hof Amsterdam 11 januari 2001, Computerrecht 2001/2, p. 98, ‘Elsevier/Gans’) .

Een andere vraag is of de rechthebbende op een ouder recht op een domeinnaam zich met succes kan verzetten tegen het gebruik van die naam of van een daarop gelijkende benaming door een merkhouder met een later geregistreerd woordmerk of door een bedrijf dat pas veel later deze naam als handelsnaam is gaan voeren. Wederom is van belang of de domeinnaam tevens door de domeinnaamhouder als handelsnaam van zijn bedrijf is gebruikt. Is dat het geval, dan kan hij zich immers op grond van de Handelsnaamwet verzetten tegen een latere aanvraag van een merkrecht of het later gebruiken van een overeenstemmende handelsnaam door een soortgelijk bedrijf, mits als gevolg daarvan verwarring bij het publiek kan ontstaat. Maar wat als de domeinnaam alleen is geregistreerd bij de SIDN en dus een slapend bestaan leidt? Een domeinnaam is geen intellectueel recht, maar slechts een vordering van de domeinnaamhouder jegens de SIDN. Het gegeven dat iemand als eerste een domeinnaam heeft laten registreren, zonder daarvan gebruik te maken, rechtvaardigt niet dat hij zich kan verweren tegen een jonger merkrecht of een pas later gevoerde handelsnaam. Dan de vraag andersom gesteld. Kan de merkhouder van een jonger merkrecht of de rechthebbende op een jongere handelsnaam eisen dat de domeinnaamhouder de slapende domeinnaam laat doorhalen of aan hem overdraagt? De Handelsnaamwet biedt die ruimte in elk geval niet. Een slapende domeinnaam is immers zelf nog geen handelsnaam. Om die reden kan de rechthebbende op de pas later gevoerde handelsnaam niet met een beroep op de Handelsnaamwet tegen de domeinnaamhouder optreden. Voor de merkhouder van een jonger merkrecht is de situatie genuanceerder. Weliswaar kan hij zijn merkrecht niet tegenwerpen aan personen die op het moment van het verkrijgen van het merkrecht al eenzelfde handelsnaam voerden, maar daarvan is in het hier bedoelde geval van een slapende domeinnaam juist geen sprake.

Tot slot nog de situatie dat twee op elkaar lijkende domeinnamen voor dezelfde bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Heeft de ene domeinnaamhouder dan de mogelijkheid om tegen de ander op te treden? Als regel zullen beide bedrijven deze domeinnaam dan als hun handelsnaam gebruiken. Op grond van de Handelsnaamwet kan degene met het oudste handelsnaamrecht zich verzetten tegen het gebruik door de ander van diens jonger handelsnaamrecht. Theoretisch is het denkbaar dat geen van de bedrijven de domeinnaam als aanduiding voor haar bedrijf hanteert. Voor geen van hen geldt de domeinnaam dan als handelsnaam.
Gang naar de rechter, arbitrage of geschillencommissie

De SIDN had tot 28 februari 2008 in haar registratieovereenkomst de bepaling staan dat de domeinnaamhouder zich ten aanzien van geschillen met betrekking tot de domeinnaam onderwierp aan arbitrage. Dit betekende echter niet dat een derde, die van mening was dat een bij de SIDN geregistreerde domeinnaam indruiste tegen zijn merk- of handelsnaamrecht of anderszins daarop onrechtmatig inbreuk maakte, gedwongen was een door de SIDN voorgeschreven arbitrageprocedure te volgen. De arbitrageclausule was immers uitsluitend tussen de domeinnaamhouder en de SIDN overeengekomen. Derden waren daar uiteraard niet aan gebonden, zelfs niet als zij ook zelf ten aanzien van een andere domeinnaam eenzelfde registratieovereenkomst, inclusief arbitrageclausule, met de SIDN waren overeengekomen. Die overeenkomst had immers uitsluitend betrekking op de domeinnaam die de derde ten behoeve van zichzelf had laten registreren. De derde behield aldus het recht om de domeinnaamhouder én de SIDN voor de gewone rechter te dagen. Wel leidde de arbitrageclausule ertoe dat de domeinnaamhouder, indien de derde een arbitrageprocedure wenste, gedwongen was zich daarnaar te schikken, al was dit dan in zijn verhouding tot de SIDN.

De derde had aldus de keuze of hij het geschil door de rechter of een arbitragecommissie liet beslechten. De arbiters moeten in principe – net zoals de gewone rechter – hetzelfde materiële recht toepassen, maar zij zijn wel uitsluitend bevoegd om te oordelen over merk- en/of handelsnaaminbreuk, terwijl de gewone rechter ook bevoegd is om over andere grondslagen te oordelen, zoals oneerlijke concurrentie of een onrechtmatige daad. In het laatste geval is de derde dus aangewezen op de gewone rechter. Uit onderzoek volgt dat de kans op succes voor de derde bij arbitrage aanmerkelijk groter is dan bij een gang naar de rechter. Maar hierin kan in de toekomst wellicht verandering komen.

Sinds 28 februari 2008 heeft de SIDN geen arbitrageclausule meer in haar registratieovereenkomst staan, maar wel de verplichting voor de domeinnaamhouder om zich te onderwerpen aan het oordeel van een geschillencommissie. Als opvolger van de arbitrageprocedure geldt de Geschillenregeling voor .nl-domeinnamen. De Geschillenregeling beoogt een snel, eenvoudig en goedkoop alternatief te bieden voor een gang naar de rechter. De geschillen worden beslecht door erkende onafhankelijke specialisten op het gebied van domeinnamen en intellectuele eigendomsrechten. SIDN heeft geen inhoudelijke bemoeienis met de beslechting van de geschillen. De precieze voorwaarden voor het voeren van een procedure onder deze vorm van geschillenbeslechting zijn te vinden op de website van de SIDN onder Geschillenregeling en de bijbehorende bijlagen. Uiteraard is een derde niet gebonden aan de geschillenregeling en behoudt hij het recht om de zaak tegen de domeinnaamhouder en de SIDN voor de gewone rechter aanhangig te maken.

Derden die een procedure willen starten tegen het gebruik van een domeinnaam die na 29 februari 2003 en vóór 28 februari 2008 is geregistreerd of overgedragen, zonder dat de domeinnaam na de laatstgenoemde datum aan een ander is overgedragen, behouden alleen de mogelijkheid om te kiezen tussen een procedure voor de rechter of voor een arbitragecommissie, aangezien de domeinnaamhouder of diens rechtsopvolger in dat geval de nieuwe registratieovereenkomst, met daarin de geschillenregeling, niet heeft aanvaard.

Top